gaming sinds 1997

Age of Empires III: The Asian Dynasties

Met de tweede expansion, The Asian Dynasties, wordt Age of Empires III uitgebreid met enkele nieuwe volkeren, nieuwe technologieën en ook de terugkeer van vergane gloriën. Voor het eerst gaf ontwikkelaar Ensemble Studios de fakkel gedeeltelijk door aan Big Huge Games, bekend van Rise of Nations, diens uitbreiding en semi-vervolg en samen werkten ze aan deze game.

De meest voor de hand liggende nieuwigheid aan het spel zijn de drie nieuwe volkeren: de Japanners, Chinezen en Indiërs. Niet dat dit een verrassing was gezien de titel van het spel, maar gelukkig zijn er ook een heel aantal nieuwe elementen in het spel verwerkt. Misschien wel de grootste vernieuwing is de terugkeer van wonderen. De Oosterse volkeren gebruiken die immers als een teken voor de grootsheid van hun natie, en ze vormen dus een alternatief voor het standaard levelen dat we al sinds het begin van de reeks gewoon zijn. Dat brengt meteen een voordeel, maar ook een nadeel met zich mee. Een wonder kan snel worden gebouwd indien voldoende boeren beschikbaar zijn. Alleen duurt het bouwen nog steeds relatief lang, waardoor je het die tijd met minder inkomsten moet doen. Naast hun hoofdfunctie bieden de wonderen ook een speciale bonus: sommige trainen units, andere zorgen voor resources, terwijl nog andere ervarings- of krachtbonussen toekennen aan de eenheden. Bij het verliezen van een wonder, word je gelukkig geen evolutie teruggekatapulteerd, maar gaat enkel de gepaarde bonus verloren. Eenzelfde wonder kan geen twee keer worden gebouwd door dezelfde speler; bescherm ze dus goed.

Een andere opmerkelijke terugkeer zijn de kastelen, die -helaas, maar hoe kan het ook anders- niet eens half zo sterk zijn als die uit Age of Empires II. In feite zijn het gewoon opgewaardeerde ‘watch towers’, een beetje te vergelijken met de forten die als bonuskaart beschikbaar zijn bij de Westerse landen. In tegenstelling tot de wachttorens kunnen ze niet enkel units bevatten, maar zijn ze ook het hoofdtrainingscenter voor artillerie. Helemaal nieuw zijn de consulaten, die toelaten om eenheden en soms ook gebouwen van een ander land aan te kopen. Er kan slechts een alliantie met één land tegelijk worden aangegaan. Units worden gekocht met ‘export’, een nieuwe resource in het spel. Alle dorpelingen die actief werken, zorgen voor een stijging van de export. Als je een percentage van je inkomsten automatisch afstaat aan je consulaat, krijg je bonussen aan export in ruil.

Wat opvalt, is dat bij de nieuwe volkeren de gebouwen vooral gecombineerde functies hebben. Kastelen zorgen voor defensie en artillerie, terwijl barakken soms ook instaan voor paarden. Ook de verschillende gebouwen die instaan voor het verhogen van de bevolkingslimiet verschaffen nu al dan niet automatisch resources: het is een mix van boerderijen en banken. Kortom, er werd goed nagedacht over welke weg men wou ingaan met deze uitbreiding.

De drie volkeren wijken niet alleen sterk af van de Westerse (of van Warchiefs voor wie die uitbreiding heeft gespeeld), maar ook onderling zijn ze heel verschillend. Bij de Japanners, het eerste volk dat aan bod komt, is vooral de grafische stijl opmerkelijk te noemen: de Japanse kerselaars geven een uniek tintje aan de speelwereld. Misschien putten de eenheden hun krachten uit de schoonheid, want ze zijn relatief sterk te noemen. Ook resources lopen gemakkelijk binnen: het plaatsen van schrijnen zorgt voor een continue, doch geringe stroom van inkomsten. Dojo’s, waarvan er twee via bonuskaarten kunnen worden opgeroepen, gaan automatisch eenheden gaan trainen. Een beetje zoals het terracotta leger, voor wie bekend is met Rise of Nations. Grote zwakte is het grote tekort aan artillerie, dat moet worden ingevuld via het dure consulaat.

De Chinezen daarentegen zijn sterk op het gebied van artillerie: ze beschikken over zwarte raven, vuurwerk dat heel effectief is wanneer je het afschiet in de richting van een gebouw. De voetsoldaten zelf zijn echter een heel stuk zwakker en hebben nood aan het massaeffect. Het valt op dat bonuskaarten niet drie, vijf of zeven, maar meteen vijftien of twintig eenheden per keer opsturen. De Chinezen zijn niet in het bezit van stallen, maar trainen units vanuit de barakken in gemengde squads: bijvoorbeeld twee paarden met drie stukken infanterie. Het is wat wennen, maar na een tijdje heb je wel je favoriete groepen gevonden. Veel troepen vragen helaas ook om veel resources, en daar wringt het schoentje. De Chinezen krijgen geen gratis resources zoals Japan, al kunnen de huizen wel dienst doen als boerderij om dieren te kweken. Rijstvelden bieden ook een gezamenlijke oplossing voor voedsel en goud.

Ook de Indiërs zorgen voor afwisseling in het speelritme. Hun economie is voornamelijk gebouwd rond hout als grondstof, véél hout. Gelukkig kunnen de kosten worden gedrukt met een stortvloed aan bonuskaarten uit de thuishaven, maar natuurlijk moeten daarvoor genoeg punten zijn verdiend. De Indiërs lossen dit op door heilige koeien voor hun kar te spannen en hen ervaring te laten sprokkelen. Grappig detail is dat je als Indiër geen koeien kunt slachten om voedsel uit te winnen. De eenheden bestaan, naast infanterie, voornamelijk uit olifanten, die bovendien behoorlijk sterk zijn. In mijn ogen zijn de Indiërs de sterkste, maar tevens de moeilijkste natie uit de uitbreiding.

Alledrie de volkeren komen met een losstaand verhaal aandraven. Die zouden een stuk realistischer en geschiedenisgebonden moeten zijn dan de familie Black uit de vorige delen, al moet ik zeggen dat de verhalen op zich nog steeds uit de lucht gegrepen lijken. Ik ben nu niet bepaald geïnteresseerd in de Ming-dynastie van de 15e eeuw (barbaar! – Zwan). Ze vormen wel een leidraad voor de solomissies, maar ik blijf toch de boeiende queesten uit AoE2 missen. Op het gebied van multiplayer zijn een aantal nieuwe spelmodi ingevoerd: ‘regicide’ (bescherm de koning), ‘king of the hill’ en twee ‘treaty’-varianten. Met die laatste is het mogelijk om een tijdslimiet op te leggen waarin spelers elkaar niet kunnen aanvallen. Het is dus de bedoeling om je rijk zo goed mogelijk uit te bouwen, alvorens de spertijd verstrijkt.

Zowel op grafisch gebied als met het geluid, zit alles snor. Het spel komt met een leuke geresamplede versie van het hoofdmelodietje dat even aanstekelijk werkt. Op de grafische engine valt nog steeds bitter weinig aan te merken, al begin je toch stilaan te merken dat die al weer een paar jaartjes oud is. Het enige aspect dat me wat ontgoochelde, was de kwaliteit van de cinematics, die met de jaren minder lijkt te worden, zowel in-game als de CGI.

En nu de moeilijke, eeuwig terugkerende vraag: is dit spel de moeite om aan te schaffen? Voor The Asian Dynasties werd goed nagedacht over wat men wilde bereiken met de uitbreiding. Wat we krijgen, zijn drie knap uitgewerkte volkeren, maar een magere verhaallijn van een vijftiental scenario’s. De uitbreiding maakt van Age of Empires III zeker een beter spel, maar de verslavingsfactor van nummertje twee is nog steeds zoek.

Onze Score:
8.0
gerelateerd spel: Age of Empires III: The Asian Dynasties
geplaatst in: Microsoft, PC, Reviews
tags: , ,


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>